Archief | september, 2020

Humpy

3 sep

Achttien jaar geleden overleed m’n vader en legde Quibus, de kater die we van m’n broer hadden geadopteerd, ook nog eens het loodje.
Ineens was het superstil in huis voor m’n moeder als ze alleen thuis was. Dus had ik stiekem een katje geregeld uit een nestje dat ergens in een doos was achtergelaten. Iemand had de dierenambulance ingeschakeld en één van de medewerkers had het nestje mee naar huis genomen om daar aan te laten sterken.

Al wekenlang had ik kattenvoer, kattensnoepjes, kattengrit en kattenspeeltjes het huis in gesmokkeld en verstopt. En ik had een smoes verzonnen. “Ma, Nel en ik gaan vanavond even naar de Makro!” Dat was in die tijd, los van een handjevol avondwinkels, de enige winkel die ’s avonds rond half acht nog open was, dus de perfecte smoes.
Maar we gingen niet naar de Makro. We reden rechtstreeks naar de medewerker van de dierenambulance.
Na een paar weken bij deze pleegouders waren de kleintjes groot genoeg om op eigen vier pootjes te staan, dus mocht ik er één komen uitkiezen. Ik had besloten dat het een katertje moest worden. We hadden al vaker poezen gehad, maar dat waren echt -sorry dat ik het zeg- kutwijven. Zo. En toen kwam Quibus in ons leven. M’n broer had destijds een poes, een je-weet-wel-kater en een hond en hij ging samenwonen met iemand met ook twee katten. Hij hield de hond en voor de poes was al snel een ander huisje gevonden. Maar die je-weet-wel-kater had nog geen onderdak. Dus bood m’n moeder het beestje liefdevol asiel aan. M’n vader, niet echt een kattenliefhebber, stemde in op voorwaarde dat het maar voor drie weken was, omdat er toch verder gezocht zou worden naar een ander huisje.
Maar ja… die je-weet-wel-kater, Quibus, was zo’n schat… Die konden we niet meer laten gaan natuurlijk. M’n vader heeft altijd gedacht dat het een vooropgezet plan was om Quipie te houden, maar dat was echt niet zo. Dus morrend ging meneer overstag. “Nou… hij mag blijven, maarre… ik doe er niks meer aan, aan dat beest.” En inderdaad, hij heeft nooit meer de kattenbak verschoond. Maar los daarvan konden pa en Quibus het uitermate goed met elkaar vinden. Pa vond het stiekem best wel leuk, dat beest in huis. Maar dat ging ie natuurlijk nooooooit toegeven. Typisch pa.

Goed, ik was er inmiddels van overtuigd dat katers toch wel een iets zachter karakter hadden dan poezen, dus moest het een katertje worden. Ik had de keuze uit twee exemplaren: een hele zwarte en één met hier en daar nog een beetje wit.
Ik was helemaal weg van die zwarte. Maar ineens bedacht ik me. Ons huis had aardig wat donkere hoekjes en m’n moeder was toen bijna 76, dus was het misschien wel handig dat er een beetje wit aan zat. Voor de zichtbaarheid. En dus werd het het kleine zwart-witje.
“Al enig idee hoe hij gaat heten, toevallig?”, vroeg de dierenambulancedame. Ik had al wel een vermoeden. Want als m’n moeder een jong dier zag, was het altijd: wat een hummetje. Dus ik schatte in dat ze dit keer op exact dezelfde manier zou gaan reageren.

Maar toen moesten we naar huis. Hoe zou ma gaan reageren? Ik besloot het op dezelfde manier aan te pakken als m’n vader in de beginjaren van hun huwelijk. Voordat ze kinderen kregen, kwam m’n vader een keer met een pup thuis. Hij had ‘m tegen z’n borst onder z’n jas verstopt en zei tegen het beestje: “Vraag maar aan het vrouwtje of je hier mag wonen.” Moet je voorstellen dat je dan zo’n klein koppie uit iemands jas ziet piepen. Dan ga je overstag.

Wat pa kan, kan ik ook. Iets met DNA ofzo.
Toen we thuiskwamen, was ma uiterst verbaasd. “Zijn jullie nu al terug?”, riep ze vanuit de keuken. We liepen de lange gang door met in mijn handen een doosje, dat voor mijn gevoel steeds zwaarder werd. Toen gebruikte ik de wijze woorden van mijn vader: “Nou, vraag maar of je hier mag wonen…” Vervolgens was er een pieperig “MIEWWW” te horen. “Nee, hè?”, verzuchtte ma. Nel en ik keken elkaar paniekerig aan. Het zal toch zeker niet zo zijn dat ze nee zegt??? Ik maakte de doos iets verder open, ma keek erin en vanaf dat moment was het ”aan” tussen die twee.
En inderdaad: “Achgossie, wat een hummetje!” Dus de naam was geregeld: Hummetje. Maar Hummetje werd al snel Humpy. En later ook Hump, Humpydump, de Humpert, Humpert-de-pumperd, noem maar op.


En toen kreeg m’n moeder haar beroerte. Nel nam Humpy in huis en de plannen waren dat ma en Hump na haar revalidatie samen in hun nieuwe woning in de Marnixflat zouden gaan wonen. Maar ma overleed onverwacht de dag nadat we haar hadden verteld dat ze een appartement in de Marnixflat had gekregen. Het was het eerste dat ze vroeg: “Mag Humpy mee naar de nieuwe flat?”
Gelukkig heeft ze nog geweten en gezien dat Hump op een goede plek terecht was gekomen. Bij m’n zus, met een tuin die hij als een havik bewaakt. Meneer heeft nog geen enkele grijze haar, is uitermate atletisch gebouwd en heeft sinds een paar jaar suikerziekte. Maar ja… die kleine uit dat gedumpte nestje bleek wel een taaie: vandaag mag meneer 18 kaarsjes uitblazen. Of in zijn geval, liever 18 kuipjes melk uitlikken…