Archief | augustus, 2016

Wijven of de ATWB?

19 aug

Vroeger, toen wij een boot hadden, lagen wij vaak in een bepaalde jachthaven waar ook een ander stel hun boot had liggen. Zij had een vent moeten zijn en hij was altijd al een wijf. Hij: een klein mannetje, mocht niets zeggen, had geen reet in te brengen en gedroeg zich daar dan ook maar naar. Zij: rijzige gestalte, harde, lage stem en een beperkte vocabulaire. Dat bestond uit één standaardwoord, aangevuld door nog vier woorden met een vraagteken erachter: “ZO! Gaan jullie straks varen?” of tegen haar slaaf/man: “ZO! Ga jij even koken?” En dat de hele dag door. Ze zal vast ooit een naam hebben gekregen bij haar oprichting, c.q. geboorte, maar voor ons heette ze “ZO!” Dat was vroeger. Maar helaas, ze zijn van alle tijden en ja, ze gaan óók op vakantie…

Tijdens bijna elke vakantie in mijn relatief korte kampeercarrière, heb ik ze namelijk meegemaakt. En altijd (althans, de laatste drie jaar), staan ze bij ons in de buurt. Gezinnen in tent/camper/sleurhut met aan het hoofd een takkewijf. Een kenau. Zo’n mokkel dat met één woord, of erger: met één blik het hele gezin (dat vaak voornamelijk uit mannen bestaat) terrorisee…, eh… domin…, eh… regeer…, eh… aanstuurt. Dat dus.
Even voor de beeldvorming: slabek en dikke frons in het voorhoofd.
Twee jaar geleden zat er zo’n bitch op de camping in de Dordorgne (de vrouw van de popie-jopie sportleraar), vorig jaar in Zuid-Frankrijk mama K. die iedereen afbekte (vooral dochter L. van zes) en die zelf in het basisonderwijs voor de klas bleek te staan. Dit jaar was ze er in Oostenrijk ook weer bij. Waarschijnlijk zelf sportleraar. Pleuriskop, pleurisopmerking over onze hond (“Heeft zeker HD, zo te zien?” Ja, jij. Op je muil, doos. Maar dat kun je niet zeggen, dus leggen we het nog maar eens uit: “Nee, dat is de bouw van een Duitse Herder.” Zucht.) Verder was ze in het bezit van een te dikke hond en dito vent en twee übersportieve zoons. Hond en vent mochten niks doen, behalve langzaam over de camping schuifelen. Voor de rest werden ze weggestuurd. Hij in elk geval. De hond mocht nog weleens blijven. De zoons werden bijna dagelijks ergens gedropt, want ze gingen ’s ochtends met de auto weg en kwamen ’s avonds met z’n tweetjes terug. Even voor de goede orde: de auto stond er dan vaak alweer een paar uur. Niet zelden zat het takkewijf in de tussentijd met een dekentje over haar benen voor de sleurhut een boekje te lezen.
Favoriete quote naar de übersportieve zoons: “Ik zou het niet erg vinden als je dat en dat even voor me deed.” Zelf deed ze het namelijk niet. Ze deed vrij weinig eigenlijk, behalve commanderen en boekjes lezen dus. Met een dekentje. Vreselijk, dat soort wijven…

Weet je wat ook erg is? Wijven in groepsverband. Elke morgen kwamen ze in de doucheruimte samenscholen. Sta je gewoon lekker rustig onder de douche, vliegt de deur van de doucheruimte open en ja hoor: gedaan met de rust. Een groepje Nederlandse wijven. Zo’n groepje dat we vroeger allemaal in de klas hebben gehad. Eén leidster met allemaal wannabe leidstertjes er omheen.  Inmiddels allemaal boven de pensioengerechtigde leeftijd met (dus) teveel vrije tijd en een veel te hoog volume. “MEISJES, MEISJES!!!” Meisjes??? “ALLES IS BEZET!!! NOU ZEG… ZULLEN WE MOETEN WACHTEN!!!” (Joh.)  Daarna werd zo’n beetje iedereen op de camping besproken. Als dat was gebeurd, kregen alle schoondochters een veeg uit de pan. En de rest van de familie. Vooral hun financiële situatie. Mijn God… Om je kapot te schamen. Benidorm bastards…
Dan hadden we nog zo’n wijf dat zichzelf een fantastische moeder vindt, maar eigenlijk niet kan opvoeden. De hele dag hoorden we haar gillen op de camping: “AIDAN, AIDAN!!!” Bij de afwas (“AIDAN!!!”), over het gehele terrein (“AIDAN!!!”), in de toiletten (“AIDAN!!!”), overal! Gekmakend. Het kind deed niets verkeerd; hij liep alleen maar kind te zijn. Op een gegeven moment werd moeders aangeproken op het feit dat het restaurantpersoneel er toch echt niet was om op haar kind te letten. Gek hè?

Gelukkig hadden we niet alleen last van wijven. Nee, zeg. Op woensdag in week twee arriveerde er een bus van de ATWB. De ATWB? Ja, de ATWB. De Asociale Tsjechische Wielrenners Bond. Tot die bewuste woensdag waren we omringd geweest met leuke, lieve, rustige en vrijgevige Tsjechen. Toen kwam die bus dus. Met een aanhanger vol fietsen. Hij werd geparkeerd op de camperplaats, vlak achter onze tijdelijke katoenen stulp. Het uitladen ging al redelijk luidruchtig. Het praten onderling ook, al stonden ze gemiddeld op 30 centimeter afstand van elkaar. “Ach, ze zijn op doortocht. Die zijn morgen weer pleite.”, zei ik tegen reisgenoot. “Nou…”, zei reisgenoot. “Voorlopig worden er gewoon allemaal biertafels uitgeladen en neergezet.” O jee… De resterende dagen bleven ze, met biertafels en heul veul bier. En hoorden we ze van ‘s ochtends vroeg (zo startte men de bus voor tien minuten om zeven uur ’s ochtends) tot ’s avonds laat (vooral heel erg hard lachen, lallen en lullen), werden de wasbakken voor handwasjes en de wasbakken in de toiletruimtes (voor gezichtswasjes enzo) gebruikt om de afwas in te doen, lagen er overal in het gebouw ineens mobieltjes op te laden (want ja… anders moet je voor je stroom betalen, net als de rest…) en werden de tanden weer gepoetst bij de wc’s. Lekker… Ach ja, voorheen zaten ze hun potje te koken in het trappenhuis van het hotel op de camping, dus dit viel allemaal nog best mee. Zucht.

We hebben een fantastische vakantie gehad, echt waar. Volgend jaar weer! Nog geen idee waar. Maar als ik moet kiezen tussen een camping met wijven of een camping delen met de ATWB? Kweenie hoor. Ik pleit in de tussentijd wel voor aparte campings voor kenau’s, Benidorm Bastards, gillende moeders (verzamelnaam: wijven) èn ATWB-ers.