Archief | juni, 2013

Het zwembad.

18 jun

Ooit, in een ver verleden, heb ik waarschijnlijk eens een bal in m’n gezicht gekregen. Dat is niet fijn en ook vooral niet leuk. Mede daardoor werd ik op school bij de gymlessen altijd als laatste uitgekozen om bij iemand in het team te komen. “Neem jij haar maar”, klonk het dan. Ach, ik raakte er aan gewend. Was ook niet zo raar: als er een bal mijn richting op kwam, deed ik m’n ogen dicht. Onder andere. Niet echt handig. Een ander gevolg is dat ik niets heb met balsporten. Of het nou een hockeybal, een tennisbal, een voetbal, een basketbal, een volleybal of een honkbal is. Ook heb ik niets met corpsballen. Maar dat is weer een heel ander verhaal.
Wat ik er ook aan overgehouden heb, is een enorme afkeer van gymzalen. De lucht alleen al. Ik voel me er zo niet thuis en ben altijd weer blij als ik er uit mag.
Ooit, in een ver verleden, hadden we een boot. Heerlijk. En aangezien we ook nog eens aan het water woonden, hebben m’n ouders ervoor gezorgd dat de kinders zo snel mogelijk aan het water wenden. En toen het nakomertje (ikke!!!) zich aankondigde, was dat niet anders. Ik denk dat ik eerder kon blijven drijven dan dat ik kon lopen. Okee, echt zwemmen was er nog niet bij, maar ik had geen angst voor het water. Wel respect en dat is maar goed ook; het water wint het altijd van jou. Maar geen angst dus. Zo hoorde m’n moeder ooit op een zomerse middag (zoals je die vroeger gewoon de hele zomer door had… Wat nou, opwarming van de aarde???) vanuit de boot een stemmetje. Mijn stemmetje. “Mam… Mama…”. “Ja?” “Mama?” “Ja-ha???” Moeders was binnen met het eten bezig en was niet van plan naar buiten te komen voor elk wissewasje van mij. “Ma-ham!” “Ja! Wat is er nou???”, klonk het een tikkie geïrriteerd. “Ik ben in het water gevallen…”. Ik had een zwemvest aan en was gewoon van de loopplank gevallen en in het water terecht gekomen. Geen paniek; het was niet echt diep, ik had dus een zwemvest aan en dan, de dames van de Jong hadden haakjes aan hun handen en dus bleven m’n moeder, m’n zus of ik altijd wel ergens aan hangen als we in het water vielen. Handig hoor!
Tegenwoordig ben ik nog steeds veel liever in het water dan in een sportzaal, dus als ik vrij ben en ik heb zin, dan lig ik in het water. Bij gebrek aan eigen zwembad (zeuren bij vriendje om nou eens de schop in z’n tuin te zetten werkt niet) heb ik zwempasjes op zak van twee zwembaden. Waar ik op m’n vrije dag m’n ogen open doe, kan ik het water in. Er is niets zo lekker als ’s morgens een frisse duik te nemen en een klein uurtje baantjes te trekken.
Nou heb ik geen techniek en geen conditie, maar ik zwem wel lekker door. Daar hebben ze in het zwembad bij het vriendje iets op gevonden: de snelle baan. Wat een uitvinding. Ik vind alleen mezelf niet snel genoeg om in die baan te mogen zwemmen. Jammer dat er dan toch hele volksstammen zijn die langzamer zwemmen dan ik en toch in die baan gaan liggen spartelen. Niet fijn.
In “m’n” andere zwembad heb je geen aparte banen, maar wel meer ruimte. En heel veel verschillende types.  Als je regelmatig gaat, leer je die types een beetje kennen.
Zo is er de brandweerman. Geen idee wat ie vroeger, in z’n werkzame leven heeft gedaan, maar hij moet brandweerman zijn geweest: Zo ziet ie er namelijk uit. Vind ik. Dan is er nog een stel waarvan ik nu pas, na een jaar of twee, weet dat het een stel is: ze komen tegelijkertijd binnen en gaan tegelijkertijd uit bad, douchen en weer weg, maar tijdens het zwemmen bekijken ze elkaar totaal niet. Van de week zag ik ook de spicht weer: die is er niet altijd, maar als ze er is moet je goed kijken, anders zie je ‘r niet. Weegt denk ik 45 kilo schoon aan de haak, is te bruin dan gezond kan zijn en haar badpak maat XXXS lubbert nog aan alle kanten. Het leven is niet eerlijk. Het Portugese Oorlogsschip komt ook regelmatig voorbij drijven. En dat is gewoon een Nederlandse dame, met een zwemmuts op en een nogal aparte manier van zwemmen: heel langzaam beweegt zij zich door het water en als ze vooruit drijft, komt haar achterwerk altijd boven het water uit. En dat doet mij dan weer aan die kwallensoort denken. Dan is er nog een stel: hij heeft een stem als een megafoon (en dan bedoel ik niet alleen het volume) en zij… nou ja, laten we zeggen dat ze haar volume aan hem heeft aangepast. En het meisje dat nooit alleen is. Ze is altijd in gesprek met iemand. Alleen is diegene er nooit bij, maar dat weet zij dan weer niet. Dan zijn er nog de onvermijdelijke drijvende theekransjes: van die mensen die niet weten dat er ook zoiets bestaat als een terrasje. Lekker naast elkaar blijven zwemmen, het liefst zonder dat de geföhnde haartjes nat worden en de lippenstift van het smoel af spoelt. Ikke nie begrijpe nie.
Wat ik ook niet begrijp, is dat er mensen zijn die mij niet zien. Zo klein ben ik nou ook weer niet. Ik zoek altijd een plekje waar ik een ander zo min mogelijk in de weg zwem, maar er is een categorie mensen dat zich in zo’n zwembad laat glijden, even rondkijkt, door mij heen kijkt en denkt: hmmm… hier kon ik wel eens m’n baantjes gaan trekken. Deze week ook weer. Ruimte zat, zij komt in het water, dus ik wacht even zodat ze over kan steken, ik zeg nog iets en warempel: het geeft antwoord, dus ze moet me gezien hebben en ja hoor: recht voor me gaan zwemmen. Met een slakkengang, uiteraard…
En sinds deze week is er een nieuw type dat mij opviel: de autist. Ik had ‘r wel vaker gezien, maar ik had nog nooit in haar buurt gezwommen. Vanmorgen wel. Een soort Marijke Helwegen qua motoriek, die niet in de gaten heeft wat baantjes zwemmen nou precies inhoudt. Het hele zwembad nodig hebben. Diagonaal door dat bad heen, over drie banen. Ik was even lekker aan het borstcrawlen, toen ze weer uit koers raakte. Om gek van te worden. Nee, het valt allemaal niet mee, zo’n openbaar zwembad.

Dus vriendje… weet je het zeker? Ik wil anders zelf ook wel beginnen met scheppen hoor…

Sdif, Sdotter…

9 jun

Een jaar of twee geleden was ik zo verkouden als een konijn. Is op zich niet erg; gebeurt vaker, maar echt lekker is het nooit natuurlijk. Mijn verkoudheidjes verlopen altijd volgens een vast patroon: eerst een paar dagen keelpijn, waar ik een remedie voor heb: Lays paprika chips en Unox tomatensoep met cayennepeper; allemaal medicinaal uiteraard. Daarna een dag of twee een “verstopde deus” (zoeken helpt niet; deusspray en een inhaler -weliswaar tijdelijk- wel, daarna begint het dweilen met de kraan open (lees: snotteren), gevolgd door het niezen (dat vind ik dan wel weer lekker) en als afsluiter: de hoest-je-longen-en-alles-wat-daarachter-zit-uit-je-lijf-periode. Als ik alles nou gewoon tegelijk had… dan was ik er binnen twee dagen helemaal vanaf. Maar nee hoor… Ja, er zijn twee constante factoren: de slapeloze nachten en de kapotte thermostaat (lees: koorts). Maar goed, even terug naar m’n hoest-je-longen-en-alles-wat-daarachter-zit-uit-je-lijf-periode. Vreselijk. Er is eigenlijk maar één ding dat mij daar doorheen helpt: Darolan hoestprikkeldempende capsules. Kon ik drie jaar geleden nog gewoon bij elke drogist naar binnen wandelen om eigenhandig een pakje van de plank te pakken, twee jaar geleden moest ik ineens naar de apotheek om m’n dope te scoren. En dat ging niet zonder slag of stoot: omdat ik niet in mijn eigen woonplaats en dus ook niet bij m’n eigen apotheek stond, moesten er een paar A4-tjes met vragen beantwoord worden voordat ik m’n pillen kreeg. Hoop gedoe dus (als je het terug wilt lezen, is hier de link:https://annekedejong.wordpress.com/2013/04/15/hoe-neem-ik-zelf-een-pil-2011/ ).

In het begin van dit jaar heb ik, net als bijna iedereen, een behoorlijke griep te pakken gehad. Of andersom. Nou ja, je snapt me wel. Ik heb in elk geval bijna twee weken thuis lamlendig op de bank/het bed gehangen en een groot deel van die periode van huisarrest en de weken er na waren gevuld met hoestbuien zoals ik ze nog nooit had gehad. Maar ja… de heilige hoestprikkeldempende capsules waren niet zomaar meer te krijgen, dus was ik er zo zuinig op, dat ik er exact nul op heb. Ik zei: NUL. Heul erg zuinig dus. Nou, dat heb ik geweten. Ik heb nog nooit zo lang na m’n ziekbed gehoest. Okee: het was een fikse dit keer, maar toch…

Vorige week was het weer feest. Eerst kreeg ik weer keelklachten en ja hoor: de hele reutemeteut begon weer van voor af aan. Nou is dat misschien niet zo heel erg gek als mei in de winter valt zoals dit jaar het geval was, maar toch: het is geen hobby van me. Ziek op bed gaan liggen had ik geen zin in, maar het vooruitzicht van weer een maand nahoesten… nee, dat zag ik ook niet zitten. Ik had nog precies 1 capsule in m’n bezit, dus trok ik de stoute schoenen aan en toog maar weer eens naar de abbedeek voor m’n hoesdpdikkedeppende cabsulez. Ik was wederom op alles voorbereid: inbellen bij m’n eigen apotheek, formulieren invullen of erger: naar m’n eigen apotheek (midden in de stad, zo geen zin in) gestuurd worden. Na een kwartiertje wachten (waarom heb ik altijd die twee klanten voor me die alles in de apotheek nodig hebben?) was ik toch echt aan de beurt. “Wie mag ik dan helpen?” Ik liep redelijk ongeïnteresseerd naar voren; je wilt tenslotte niet als een junk overkomen. Maar ondertussen had ik m’n dope nog nergens zien staan, dus ik vreesde het ergste. “Ja, bij! Kunt u bij helben aan Darolan hoesdpdikkedeppende cabsulez?” “Ja hoor!”, klonk het opgewekt terwijl de apothekersassistente zich omdraaide, het pakje pakte en naar de kassa liep. “Anders nog iets?” “Dee hoor…” Ongelooflijk. Mocht ik nu echt zomaar gewoon afrekenen zonder verdere ondervraging? Niet te geloven. Had ik dat in februari geweten…

Enne… drie keer raden: vanaf het moment dat ik ze in m’n tas heb… niet meer gehoest hè?