Weg van de snelweg (2008)

24 mrt

Geplaatst op 22 juni

Tjonge, wat een dag. Als ik alles van tevoren geweten had… We schrijven zaterdag 21 juni. Ik had geloof ik beter in m’n bed kunnen blijven liggen. Dat heeft ook niet veel gescheeld overigens. Sinds ik gelaserd ben, heb ik namelijk een projectiewekker. Je weet wel, nu kan ik op m’n plafond zien hoe laat het is. Dat kon voorheen niet, dan had ik een rood verlichte vlek op m’n plafond gezien en nu zie ik daadwerkelijk cijfers. Dat ding heeft ook een functie dat je twee alarmtijden kunt instellen. En dat had ik ook gedaan. Aangezien ik wegens vakantie van de huisgenoten momenteel in m’n uppie ben, en er dus niemand is die me alsnog uit m’n bed trekt, leek het me handig om voor de zekerheid twee wektijden in te stellen. Met allebei een 4-minuten snooze. Ook dat nog. Normaal heb ik dat niet nodig, ik word de eerste keer meteen al wakker, maar nu… Ik deed om half zes uit mezelf m’n ogen open, keek naar het plafond en draaide me nog even om. De informatie boven mijn bed vertelde mij dat ik nog een dik uur had voordat ik er uit moest. Rond zeven uur schrik ik wakker. Mwaaaah??? Hoe laat??? Waarom is die k*twekker niet afgelopen? Blijkt dat ik de avond ervoor de wekker juist had uitgezet in plaats van aan… Dus met een bloedgang er uit en alles geregeld, over een uur moest ik met een trein/carpoolende collega in de auto zitten. Aangezien de brug tussen Hoogvliet en Spijkenisse dit weekend wegens onderhoud is afgesloten, moest ik een stukje verder rijden dan normaal en vorige keer was het een tikkie druk, dus wilde ik geen risico nemen. Uiteraard was het niet druk dit keer en liep ik dus op het ongoddelijke tijdstip van kwart over acht met m’n collega de tijd te doden in een Spijkenisser supermarkt. Mijn hobby is het niet. Als m’n collega op het punt staat een overheerlijke chocoladecake te kopen en ik ‘m vermanend toespreek: “doe het nou niet, je krijgt er spijt van, doe het niet…”, begint ie te zeuren. “Aaah mam… toe nou…” Mam??? Okee, hij is 18 en ik… niet, dus het had gekund, maar om nou in het openbaar… Nee, die maakt vrienden vandaag…
Aan het eind van de werkdag krijg ik een belletje van een collega die me waarschuwt voor de enorme file door de afsluiting van de Spijkenissebrug; dan kon ik me op voorbereiden. Met frisse moed stappen we in de auto; ik gooi m’n reisgenoot er bij een metrostation uit en ga zelf verder richting mijn avondeten. Zit ik op de ring van Spikecity, gaat m’n telefoon. Ik kan terug; meneer is z’n mp3 speler vergeten, gdvrdgdvr… Huppakee (ze is nog niet zo heel erg bekend in Spikecity) borden volgen naar het ziekenhuis, want bij die metro stond ie en mp3 afgegeven. Dus… weer naar de ring en ja hoor… zoals beloofd: file. Ik heb er een uur over gedaan om op de snelweg te komen. Ik had een uitnodiging op zak van m’n vriendin om daar te komen eten en naar de (wat een klote)wedstrijd te komen kijken, dus zette ik koers richting Rozenburg. Ik dacht toch niet dat ik vanuit Spijk via twee tunnels naar Maasland zou rijden. Ik nam lekker de pont. Het was lekker druk op de Waterweg en dat doet een watersportershart zonder boot weer even goed. Vlak achter een grote zeeboot langs (nou ja groot… een kustertje), heerlijk even. In Maasland de auto geparkeerd en daar zie ik iets onder m’n auto druppelen. Hmmm… lekkage. Motorkap open en zoeken. Drup drup… ja hoor. Zo te zien is het geen olie maar water. Het komt niet uit m’n radiateur… Wacht effe… m’n ruitensproeier is ineens leeg… Hmmm…. Even een fles water geritseld en met vriendin terug. Het druppelen was inmiddels gestopt. Dus reservoir gevuld en ja hoor… drup, drup. Nou, mooi… daar kan ik nog wel even een weekje mee rijden tot er weer een tweede auto voor de deur staat. Met een iets geruster hart aan het avondeten gegaan en de (wat een klere)wedstrijd gekeken. Rond half twaalf besluit ik dat ik m’n auto maar eens thuis ga brengen. Ter controle druk ik m’n ruitensproeier in. Hmmm… er zit nog water in. Nou, dan loopt ie gewoon heel langzaam leeg zeker. Omdat ik het toch niet helemaal vertrouw, blijf ik constant op m’n temperatuurmeter kijken. Voor geval het toch niet een lekkage in m’n ruitensproeierinstallatie blijkt te zijn. Maar het gaat goed, temperatuur blijft tot op de snelweg rond de 80 graden hangen. Totdat ik halverwege ben. Precies midden tussen Maassluis en Vlaardingen schiet het temperatuurwijzertje omhoog en (het is ècht een wijvenauto) knippert het woordje STOP in vervaarlijk rood op m’n dashboard. Aangezien ik heel erg gehoorzaam ben, zet ik ‘m op de vluchtstrook, zet m’n gevarenlichten aan, pak m’n tas en stap ik uit. Achter de vangrail loop ik over het fietspad om te kijken tussen welke hectometerpaaltjes ik sta. Effe bellen… “Goedemorgen, ANWB. Waarmee kan ik u van dienst zijn?” Nou, drie keer raden… Ik vertel m’n verhaal en waar ik sta, krijg het advies om achter de vangrail te blijven staan (“ik had al zo’n vermoeden dat u daar al stond, gezien het geluid”) en dan kan het wachten beginnen. Gelukkig is het een zwoele zomeravond zonder regen dus dat komt wel goed. Op de weg is het stervensdruk; alles rijdt gedesillusioneerd naar huis na die (pokke)wedstrijd en ik ijsbeer maar een beetje heen en weer. Bel even met vriendin die meteen aanbiedt om haar man te sturen (nee joh…), om daarna aan te bieden zelf te komen, maar ook dat weiger ik. Ze is door haar rug gegaan en ik wil niet dat er een auto onnodig op de vluchtstrook staat. Maar ze zit heel lief over me in, omdat ik alleen en op een heel stil plekje in de middle of nowhere sta. Ik moet beloven te bellen als ik thuis ben. “Ja, ma…” Ach, zo weg van de snelweg… je ziet nog eens wat. Zoals een paar meter verderop wanneer er een muisje oversteekt. Of een waterkip die me vanuit de sloot slaperig onderzoekend bekijkt. Zeker uit z’n slaap gehouden door mij. Sorry… Ineens bedenk ik me: verrek: ik heb ook nog zoiets als een gevarendriehoek. Ik wacht een rustig moment af om ‘m uit m’n achterbak te pakken en ‘m een meter of dertig achter m’n auto te plaatsen. Om daarna meteen weer over de vangrail klauteren. Godsamme, die dingen zijn nog best hoog… Het ijsberen ben ik zat en dus ga ik op een betonnen rand zitten, beetje om me heen kijken. In je uppie ’s nachts op een stil weggetje terwijl aan de andere kant van de vangrail de hele wereld met 120 kilometer per uur aan je voorbij trekt… beetje vreemde gewaarwording. Ach, je hebt eens tijd om dingen te overdenken, kan ook heel erg nuttig zijn. Na ongeveer een uur wachten (en een bezorgd telefoontje van vriendin) stopt er rond kwart voor één een ANWB bus achter me. Mijn redder in nood stelt zich voor als Peter en vraagt wat er aan scheelt. “En waar kwam je vandaan?” “Nou, uit Maasland. Heb er een hapje gegeten en heb naar de voetbal gekeken. Had ik net zo goed niet kunnen doen achteraf…” “Ja, nou… erg hè?” “Mwah”, zeg ik. “Ik had het leuk gevonden als ze verder kwamen maar ik zal er geen minuut minder om slapen hoor…” “Mooi. Nou, gooi je motorkap maar open dan.” Een eerste blik. Hmmm… “Ja, een vrouw alleen ’s nachts met een auto op pad sturen… moeten ze ook niet doen hè?”, grap ik. “Ach hoezo? Het komt toch allemaal goed?” Daar ga ik wel vanuit, ja… Om me nog een beetje nuttig te voelen houd ik een lampje vast en als het reservoir van m’n koelvloeistof open gaat, weet ik al genoeg. “Zo. Dat ziet er leeg uit.” Peter vindt dat ook en gooit ‘m vol met water. “Ja, da’s de boosdoener. Ik zag het lekspoor ook al achter je auto aan lopen toen ik hier heen kwam…” Hij constateert dat ie op een rare plek lekt en spreekt z’n vermoeden uit. “Ik denk dat je koppakking kapot is.” Dat zegt een nitwit zoals mij natuurlijk helemaal niets, maar ik vermoed dat het niet best is en zeg met een Twents accent: “Oah. Da’s nie zo moai..” Er komt een Twents accent terug vanuit m’n motorblok: “Nih, da’s zeker nie zo moai… Waar moet je heen?” Ik vertel de eindbestemming en Peter zegt dat ie me gaat volgen tot ik thuis ben. Wat een heerlijk idee. Met één oog op de weg en één oog op de temperatuurmeter rijd ik naar huis. Bij het station zet ik ’m neer, omdat je in het weekend er op kunt wachten dat ie voor de deur gesloopt wordt. Peter biedt nog aan me een lift te geven naar huis, maar dat weiger ik; ik ben er bijna. M’n ANWB-pasje hoeft ie ook niet te zien, hij gelooft het allemaal wel. Hij geeft me de tip om maandag een fles water mee te nemen en het reservoir eerst vol te gooien voordat ik naar de garage rijd, geeft me een hand en verdwijnt dan weer in de nacht. Wat een held… Thuisgekomen eerst zoals beloofd de bezorgde vriendin gebeld dat ik veilig was. Heel m’n planning gaat meteen om: ik had snode plannen om of even naar het broertje te rijden morgen, of richting de zee als het lekker zou waaien, maar ja… geen strak plan in dit geval. Er staat hier nog ergens zo’n ding met twee van die wielen. “Fiets” heet dat geloof ik. Maar eens kijken hoe dat ook al weer werkt…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: