Archief | februari, 2013

Bovenop het nieuws deel twee: de wetenschappers. (2006)

27 feb

Geplaatst op 17 april 2006

Naar aanleiding van de voorgaande weblog (Bovenop het nieuws!!!) heb ik het volgende stukje overgenomen uit het AD en daaronder mijn eigen mening:

maandag 10 april 2006
‘Vlaardings raadsel is massahysterie’
Door HJALMAR TEUNISSEN Dxc9NIS VAN VLIET
VLAARDINGEN – De ziekteverschijnselsen onder tien kinderen van basisschool ‘t Ambacht en zeven medewerkers van een apotheek in Vlaardingen vorige week berustten mogelijk voor een groot gedeelte op inbeelding. Dat stellen vooraanstaande deskundigen anderhalve week na het mysterieuze incident dat Vlaardingen nog altijd in zijn ban houdt. Deze lezing wordt bestreden door de gemeente Vlaardingen, de school en de Vlaardingse apotheker.
Dr. Jaap Hanekamp van de wetenschappelijke stichting HAN, die zich sterk maakt voor objectief wetenschappelijk onderzoek, vermoedt dat de ellende is begonnen met een kind dat op school de verschijnselen van een opkomend griepje vertoonde.
Andere kinderen zijn dat gedrag onbewust gaan imiteren, denkt hij. ,,Mensen zijn nu eenmaal geneigd de oorzaken van iets dat zij niet kunnen plaatsen buiten zichzelf te zoeken. Gif in de lucht in plaats van een opkomende verkoudheid, bijvoorbeeld. Massahysterie heet dat.”
Inbeelding zal zeker bij een deel een rol hebben gespeeld, zegt ook Harald Merckelbach, hoogleraar psychologie aan de Universiteit Maastricht. De Limburgse hoogeleraar benadrukt dat de slachtoffers ondanks het gebrek aan een duidelijke oorzaak ‘geen aanstellers’ zijn. ,,De slachtoffers kunnen wel degelijk pijn hebben gevoeld.”
Een woordvoerster van de gemeente Vlaardingen vindt de verklaring van massahysterie ‘onwaarschijnlijk’. ,,Er is wel degelijks iets aan de hand geweest. De klachten zijn afkomstig van twee verschillende groepen die je niet met elkaar kan vergelijken.” Wel houden de instanties er rekening mee dat andere meldingen wel beïnvloed zouden kunnen zijn door de berichten over het incident. Er heerst griep en het kan dat sommige mensen dat nu aan het incident wijten.
De milieudienst DCMR, de brandweer, de GGD en GHOR (Geneeskundige Hulp bij Ongevallen en Rampen) hebben nog steeds geen verklaring voor het incident. Alle denkbare mogelijkheden zijn de revue gepasseerd. Wel is duidelijk dat de enige manier waarop de kinderen en de medewerkers van de apotheek iets binnen hebben kunnen krijgen, via de lucht is. Mogelijk is er ‘een kortdurende chemische prikkel’ geweest die later niet meer op te sporen was. Dit zou afkomstig geweest kunnen zijn van een voorbijrijdende vrachtwagen.
Ach ja, natuurlijk. Massahysterie… Hoe makkelijk. We weten inderdaad de ware reden niet. Maar massahysterie? Sorry?
Hoe kon het massahysterie zijn als:
De medewerkers van de apotheek niet wisten welke symptomen van de kinderen van een school schuin aan de overkant van een behoorlijk brede Vlaardingse verkeersader vertoonden, laat staan dat zij en vele anderen uberhaupt wisten WAT er precies gaande was?
Dat ook voor de rest van de winkeliers gold?
Los van de schoolkinderen, er alleen mensen klachten kregen die binnen zaten en dat ook nog eens in hetzelfde winkelblok?
Derhalve de mensen die er op straat met hun neus bovenop stonden, nergens last van hadden?
En waarom:
Hebben de winkeliers en bewoners van de panden die recht tegenover de school staan, dan nergens last van gehad? (Zij zouden in geval van massahysterie en kopieergedrag toch ook klachten moeten hebben gehad; zij hadden die dag toch veel beter zicht op het gebeuren?)
Kreeg een hulpverlener (die zou toch immuun moeten zijn voor kopieergedrag, lijkt mij…) ook last van brandende ogen in het schoolgebouw?
Zou het dan toch niet zo zijn dat, in de wetenschap dat mensen buiten nergens last van hadden en mensen die binnen bleven in bepaalde blokken/gebouwen en het dus bijna wel “van binnen uit” moet zijn gekomen:
Er toch niet heel misschien iets, al dan niet per ongeluk, in het riool geloosd is, bijvoorbeeld?
En dat de betreffende instantie daar niet voor wil uitkomen?
Uit angst voor een slechte naam?
Of schadeclaims wellicht? (Kom op, het is Amerika niet!)
Er zit gewoon een luchtje aan deze zaak; ondanks dat ik op de dag zelf niets geroken heb. (Mooie beeldspraak, al zeg ik het zelf…) Nee, dit gaat gewoon de doofpot in. Ik ben blij dat de gemeente Vlaardingen het voor haar burgers opneemt en het niet eens is met de uitspraak van twee wetenschappers die hun theorietjes op deze kwestie hebben losgelaten. Natuurlijk, massahysterie bestaat. Maar Vlaardingers zijn inmiddels wel wat gewend, met die petrochemische industrie aan de overkant. Die laten zich echt niet zo gauw gek maken door een kind met een “beginnend griepje”, zoals gesuggereerd door een hoogleraar psychologie uit Maastricht en een dr. van een stichting in Amsterdam. Zijn waarschijnlijk beiden niet voor deze kwestie in Vlaardingen geweest (waar ligt dat eigenlijk precies?), hebben dus waarschijnlijk ook niet met de betrokken personen en/of instanties van gedachten gewisseld en dus vraag ik me af waarop deze conclusies gebaseerd zijn. Op het feit dat er bij de slachtoffers niet achterhaald kon worden wat er nou precies aan hen mankeerde? Op het feit dat er niets aangetroffen is van een vreemde stof in de lucht? Op het feit dat er geen koolmonoxide en geen legionella in het spel waren? Waarop? Een klein beetje kort door de bocht, heren!

Bovenop het nieuws!!! (2006)

27 feb

Geplaatst op 8 april 2006

Ben ik op een gewone, suffe woensdagmorgen na een lang weekend op m’n werk, hoor ik ineens een ambulance. Nou werk ik aan een vrij drukke weg, redelijk dicht bij een ambulancepost en in de buurt van een ziekenhuis, dus er komen regelmatig van die gele loeiers voorbij, maar toch… Nieuwsgierige Aag die ik ben, loop ik toch even naar de voordeur. Oh. De ambulance stopt bij de school schuin aan de overkant. Tegelijkertijd komt er van de andere kant een brandweerwagen aanrijden. Erg veel haast is er niet, de heren van de hulpdiensten stappen relaí uit en wandelen de school binnen. Het duurt niet lang voordat ik redelijk dichtbij nog een ambulance hoor. En nog een brandweerwagen. “Goh, ik reed gisteren nog door Rijswijk in de buurt waar vorig jaar de uitvaart was van die vermoorde leraar van het Terra College en daar moet ik nu ineens aan denken. Getver. Het zal toch niet…?” “Ja, maar waar is die brandweer dan voor gekomen?”, klinkt het naast me. Daar zit wat in. Dan komt de tweede ambulance na een kleine omzwerving in de wijk tegenover ons tevoorschijn en die stopt uiteindelijk ook bij de school. “O jee”, zeg ik tegen een collega. “Twee ambulances…dat ziet eruit als een hartprobleem…” Jahaa, ze heeft opgelet bij de cursus bedrijfshulpverlening… We speculeren nog even verder en m’n collega vertelt dat er vorig jaar een traumaheli op kwam dagen bij een verkeersongeluk hier op de laan. Ze heeft het nog niet gezegd of we horen de rotorbladen vlak boven ons hoofd. “Oh mijn God, dan is het echt niet goed…”, zeg ik. De kinderen op het schoolplein worden weer even terug in het schoolgebouw gedirigeerd, terwijl de heli een geschikte landingsplaats zoekt. Ondertussen arriveren er meer ambulances en brandweerwagens en begint de politie het verkeer te regelen. Rond een uur of elf heeft de politie het gedeelte tussen de twee kruispunten (waar de school en onze toko tussen liggen), voor alle verkeer afgezet. Heel af en toe gaat er een ambulance weg, maar er blijven er nog genoeg staan. Je zou het bijna vergeten, maar er is een gedeeltelijke zonsverduistering aan de gang en ondanks dat we als één van de weinige regio’s in het land een strakblauwe lucht hebben, kijken er weinig mensen naar wat er boven hen gebeurt. Is toch ook mooi.
In de winkel blijft het opmerkelijk rustig; er is weinig verkeer. Wel komt er wat wandelend volk binnen en zo krijgen we ook wat geruchten te horen: het zou koolmonoxide zijn, er zou een scheikundeproef verkeerd gegaan zijn (op een basisschool??? Vreemd.) en er zou een verwarmingsketel ontploft zijn. Het koolmonoxidevermoeden wordt een beetje bevestigd door een moeder van een “gelukkig is ie ziek thuis-kind” op de betreffende school. Goh… In de loop van de middag doet zich een rare situatie voor: een klant vraagt of wij weten wat er aan de hand is. Dus ik vertel het verhaal dat ons ter ore is gekomen dat het vermoeden bestaat dat er in de gymzaal een koolmonoxidelek zou zijn. “Maar, dat is wat wij hebben gehoord; we weten het niet zeker.” De klant wordt een beetje wit om de het reukorgaan en houdt zich aan het kassablok vast. “Ik word geloof ik even niet goed.”, zegt ze. “Mijn dochter zit daar op school…” Oh shitterdeshitshit… Als ik een kind had dat op die school zou zitten en ik zie daar diverse hulpdiensten voor de deur staan, dan ging ik toch echt even bij een loslopende politieagent informeren en niet bij een winkel in de buurt, maar wie ben ik? “Gaat het?”, informeer ik. Mijn collega en ik vragen verder: “Heeft ze vanochtend gymles gehad? Nee? Nou, dan is ze vast in orde, want het schijnt alleen de klas te zijn die gym heeft gehad. Maar probeer het daar even na te vragen.” Ondertussen is het gekkenhuis compleet: de vaderlandse pers is gearriveerd en ineens staan er sattelietwagens naast de supermarkt een stukje verderop. Doet raar aan, hoor. Rond halfvier hoor ik weer een heli en denk ik het geluid van een politieheli te herkennen. Heb ik van m’n broer geleerd en tot nu toe heb ik ‘m steeds herkend. Ook nu weer. Hij hangt heel laag, zo’n beetje op de hoogte van de flat van vier hoog achter ons en vliegt heel langzaam een paar keer over. Als ie weg is, rond een uur of vier, zie ik ineens weer verkeer over de laan rijden. We horen vaag nog iets over twee mensen die bij de apotheek niet lekker geworden zijn en langzaam keert het normale leven weer terug.
Thuis zie ik op het journaal uitvergroot datgene dat ik op een afstand van tweehonderd meter heb gevolgd. En hoor ik dat er niet twee, maar zes mensen bij de apotheek niet lekker geworden zijn, vijf winkels verder dan waar wij zitten. Door het incident bij de apotheek wordt er verder gezocht naar mogelijke oorzaken: het drinkwater en de riolering worden onderzocht, zijn er illegale wiet- of XTC-lozingen geweest of is het toch legionella? Niemand weet het. Ik weet wel dat ik enorme koppijn heb en ik zit net na zessen al te geeuwen alsof ik en week m’n bed niet heb gezien. En m’n keel… beetje branderig. Nou ja, er zal wel een verkoudheidje aan zitten te komen.
De volgende dag hoor ik van mijn collega dat ook zij ‘s avonds erg zat te geeuwen en een drukkende hoofdpijn had gehad. Via via komt dat verhaal bij de GGD terecht die de boel onderzoekt en daarop komt hun directeur ook met ons een praatje maken, om het één en ander een beetje in kaart te brengen. We krijgen te horen dat er in twee andere winkels (dichterbij ons) ook twee mensen onwel zijn geworden. En dan blijkt ook mijn andere collega ‘s avonds misselijk te zijn geweest. Het is een rare toestand. We zijn nu een week verder en de oorzaak is nog steeds niet bekend.
Dan wordt het maandagavond. Ik zit thuis, een behoorlijk lange mail in het engels op te stellen en weer hoor ik een sirene. Van een brandweerwagen deze keer. Aag is nog steeds nieuwsgierig en gaat op heur bed staan om te kijken waar dat ding is en vooral: waar ie heen gaat. Nou woon ik naast een groot, oud pand waar ooit een meubelzaak in heeft gezeten. Toen ik een paar maanden oud was, heeft daar een flinke brand gewoed. Daar weet ik natuurlijk helemaal niets meer van, maar een paar jaar later, op woensdag 8 mei 1978, uw reporter was toen 7 jaar, stond de meubelfabriek aan de achterzijde van ons huis in brand. Dat ding is toen tot op de grond afgefikt en ik heb toen een hele lange periode slechte nachten gehad met alles erop en eraan: nachtmerries, slapeloosheid, badend in het zweet wakker worden…(Hé, ik was 7!) Maar goed, door die gebeurtenis toen heb ik een soort rare fascinatie voor brand gekregen. Als ik weet dat er niemand meer in zit, en als het op veilige afstand is, vind ik het best mooi om te zien. Triest, maar mooi. Maar als het bij mij in de buurt is (en geloof me: aan de andere kant van het huizenblok van 500 meter vind ík al bedreigend…), dan sla ik om in blinde paniek en heb je he-le-maal niks meer aan me. Ik word hysterisch. Daarom moet ik ook altijd weten waar een brandweerwagen vandaan komt en vooral waar ie heen gaat. Als het maar ver genoeg van mij is. Effe Checken: hij komt van de haven af en gaat over de brug. Mooi. Ik kruip weer achter m’n bureau en zet de hersenmassa weer in de engelse stand en typ verder. Whoa, stop! The fire engine is getting closer by the sounds of it, oops…sorry…even terugschakelen: ik hoor dus dat ie dichterbij komt en dus spring ik nogmaals op mijn bed (vanwege hoge vensterbank), doe het raam een stukje open en kijk naar beneden. Tot mijn verbijstering zie ik dat ie voor mijn deur stopt en tegelijkertijd ruik ik rook. “Dit is niet goed”, denk ik. Ik doe m’n raam dicht, sla m’n werk op en loop naar beneden. Daar kijk ik even uit het raam en zie dat er nog een brandweerwagen gearriveerd is en dat de politie de boel al aan het afsluiten is met (ja hoor: daar is ie weer:) een rol politielint. Da’s lekker. De mannen van de brandweer staan intussen naar ons dak te kijken en dat is niet echt een heel erg geruststellende gedachte, kan ik vertellen. M’n moeder ziet het ook en vraagt lichtelijk paniekerig aan mij of ik misschien weet wat er aan de hand is. Euh… gokje: brand? Ze loopt naar het balkon en ziet de benedenbuurman in zijn tuin staan en die bevestigt: het is weer raak, hiernaast. Oh shit. Niet weer, hè? Ik vang ondertussen de kat en doe alvast alle deuren dicht, zodat hij tenminste nergens meer heen kan glippen. “Ik weet even helemaal niet wat ik doen moet”, zegt m’n moeder. Wacht even: hier klopt iets niet. Het brandt naast me. VLAK naast me. Ook nog eens superlink, want oude huizen. Lees: alles van hout, lees: dat brandt zo lekker weg. En m’n moeder (normaal niet zo gek te maken) is in paniek. Ik daarentegen (heel erg gauw gek te maken wat brand betreft en zou dus stijf moeten staan van de stress) blijf koelbloedig kalm en ik denk zelfs rationeel. Ik heb zelfs nog niets eens gegild. Nog geen greintje paniek te bespeuren. Ik verbaas mezelf. Dus begin ik kalm orders uit te delen: “kleed je aan en pak alvast de verzekeringspapieren.” “Verzekeringspapieren… ik weet even niet meer waar ik moet grijpen…” “Daar, onderin, in die kast. Kom op, handelen. Ga wat doen! Weet jij trouwens waar de kattenmand is?” “Ehhh… nee, ik weet even helemaal niks meer. In de gangkast?” Nee dus. Als ik het kattenluikje dicht doe, zie ik de rook al de hoek om komen. Ik loop rustig naar boven om daar naar de kattenmand te vinden en zie dat ik m’n computer nog aan had laten staan. Ja, nou kan je je zooi wel lekker opslaan, maar als het hier echt fout gaat, is je PC weg en heb je daar dus ook niets meer aan. Mwah… Dus verstuur ik m’n werk nog even naar twee van m’n emailadressen. Voor de zekerheid. Ik sluit keurig m’n computer af en pak een stapel fotoalbums, waarna ik met m’n buit naar beneden loop. Ik stop de kat alvast in z’n mand (hij wil niet, natuurlijk…) en doe de fotoalbums in een grote plastic tas die ik alvast bij de trap naar beneden zet. Ik stop er voor de zekerheid wat schone kleren bij (waaronder m’n favoriete T-shirt dat ik in Engeland heb gekocht; die moet mee!!!) en pak vlug uit de woonkamer het fotolijstje met één van de laatst gemaakte foto’s van m’n vader. Ik zet alles bij de trap neer en ga dan naar beneden, met m’n fotocamera (dat dan wel weer). Alles staat klaar om meteen de deur uit te lopen en zolang de brandweer nog geen aanstalten maakt om ons eruit te halen, blijven moeders en de kat boven. Ik houd ze telefonisch wel op de hoogte. Om een lang verhaal kort te maken: de benedenburen hebben de brand gelukkig bij toeval in een vroegtijdig stadium ontdekt (omdat de kat naar binnen moest en de buurvrouw iets rook, is haar man op onderzoek uitgegaan en heeft meteen de brandweer gebeld). Gelukkig was de brandweer in de buurt, want de ladderwagen kwam van de haven af en zo waren ze er godzijdank vroeg bij. Ik moet er niet aan denken als… laat maar. En dan die rooklucht in je huis… nou ja, als dat het ergste is. Maar mag ik volgende week alsjeblieft weer een normale week? Please?

Lekker shoppen in Brussel… (2006)

27 feb

Geplaatst op 14 maart

Jaaaaa, het was weer eens zover! Zij die nooit op zaterdag vrij is (ik dus) heeft al maanden een afspraak staan om iets leuks te gaan doen met haar die altijd op zaterdag vrij is: zus. Wat leuks gaan doen is voor vrouwen synoniem voor “shoppen”, dus dat wordt een dagje winkelen. Maar waar?
Ik heb wel eens op de BBC gezien (ja, je bent anglofiel of niet) dat Lille wel erg leuk is om te shoppen. Ik stel het een paar weken van tevoren eens voor de gein voor. “Lille…? Ja, dan kan je eigenlijk net zo goed doorrijden naar Parijs…”(Zus is koerier en heeft totaal geen redelijk beeld meer van afstanden sinds ze dit werk doet.) Ik vind Parijs nou net een tikkie aan de overdreven kant en dan, we zijn er in november net geweest. Gaat ook vervelen. Op de grote dag (beiden sdipverkouden, baar ja, het was al afgesbroken, hè?) weten we nog steeds niet waar we heen gaan als ik de motor van mijn bolide (…) start. Snelweg op, Beneluxtunnel door, dus richting “De Zuid”. Binnen het uur zitten we op de ring bij Antwerpen, wat ons uiteindelijke doel was, blijkbaar. Daar waren we het inmiddels wel over eens. Alhoewel… Het volgende gesprek vond plaats op zo’n vijfhonderd meter voor de afslag Antwerpen-Centrum: “Antwerpen doen dan maar?” “Ja toch?” “Ja…” (Nog vierhonderd meter) “Hoezo?” “Wat hoezo?” “Nou, nee…niks.” “Oh.” (nog driehonderd meter) “We zijn vorige keer ook al in Antwerpen geweest” “Ja. Dus?” “Ja, kweenie…” (Nog tweehonderd meter) “Wil je wat anders dan?” “Neuh, is toch ook leuk, Antwerpen?” “Ja.” (Nog honderd meter) “Offe…eh… doorrijden naar Brussel?” “Brussel?” “Ja.” (Nog vijftig meter) “Tja, wat jij wilt. Zeg het maar. Zit je zo.” (Twintig meter) “Of toch maar gewoon Antwerpen?” (Tien meter) “Eh…doorrijden maar? Het is maar een half uurtje verder.” (Vijf meter) “Sure? Okee!” “Tjiesus!!!” Wij zijn helemaal niet besluiteloos, wij nemen gewoon de simpele beslissing om door te rijden. Op de valreep, dat dan wel weer. Maar ja, wat maakt het uit?
Een half uurtje later zijn we in Brussel en rijd ik een beetje op halve aanwijzingen van koerierzus en op de borden richting het centrum. En nee, ik heb geen navigatiesysteem, ik vind dit op de ouderwetse manier gewoon nog leuk! In een uitgestorven zakenwijk vinden we een gratis parkeerplek. Om de hoek een metrostation, dus dat gaat helemaal goedkomen. Een minuutje of vijf later staan we blijkbaar als twee wereldvreemden even op ons gemak de kaartjesautomaten in ons op te nemen, als er een zogenaamde “hulpbelg” opduikt. Hij begint in het Frans. Mooi, da’s zus d’r afdeling. Zoek jij het maar lekker uit… De hulpbelg krijgt ondanks zus (of misschien dankzij zus?) door dat wij geen volbloed Francaises zijn (we hébben wel Frans bloed, ongeveer 1 centiliter per liter, schat ik; je merkt er alleen zo verdomd weinig meer van…). Ah, denkt de hulpbelg (zal ik ‘m voor mijn gemak even “afko-en” tot HB?) ik heb met echte toeristen te maken en gaat vervolgens over in het Engels. Dat is op zich ook geen aanrader, Engels met een raar soort Waals accent. Maar goed, hij doet z’n best. Hij doet ondertussen in z’n beste English een suggestie voor het metrokaartje dat wij het beste zouden kunnen nemen. Daarop volgt er enig overleg tussen zus en mij. In het Nederlands, welteverstaan. Verrek! Dat verstaat de HB ook en gaat verder in het Vlaams. (Had ie dat niet gewoon meteen kunnen doen?) We bedanken de HB vriendelijk en lopen lichtelijk ondersteboven van deze schok, maar ondertussen zo blij als een kind met onze verse Brusselse metrokaartjes richting het perron. De HB roept ons nog lachend even tot de orde: “Awel, ge moet uw kaartjes nog wel efkes afstempelen, he?” Heheh…Oeps. Ik draai me om en roep naar achteren: “Je moet ze ook alles uitleggen he, die Hollanders…” De HB lacht met een brede grijns terug. Wat zal die met z’n collega’s gelachen hebben om die ‘Ollanders tijdens z’n koffiepauze…
Twee haltes verder komen we weer bovengronds. Zus zegt dat ze in het centrum eigenlijk helemaal de weg niet weet. Ik ook niet, dus dat is weer geweldig. Nou heb ik een soort van radar in m’n hoofd die negen van de tien keer behoorlijk nauwkeurig alarm slaat als we de verkeerde kant op lopen (dat heet richtinggevoel en ik geloof dat dat bij dames erg schaars is) en ik heb het voordeel dat ik ergens maar één keer geweest hoef te zijn (maakt niet uit hoe kort of lang geleden) om voor de rest van m’n leven, al dan niet in grote lijnen, daar de weg te weten. Dus wij lopen een straat in, zien de ingang van een passage en ja hoor: “Oh, ik zie het al!”, roep ik. “Godsamme! Zij ziet het weer. Het zal weer niet waar zijn…”, wordt er naast me gebromd. Nou sorry hoor…
Al gauw blijkt dat we wederom op fotosafari zijn, en dat is best leuk. Op de hoek van één van de straatjes die naar de Grote Markt leidt, spotten we de eerste (en enige) straatmuzikanten: een saxofonist en een gozer met een djembé erbij. En vooral die laatste geniet zichtbaar… NOT! Wat een chagrijn, zeg! Nou goed, we lopen door om de toerist uit te hangen op de Grote Markt. Zus doet haar best om een mooie foto van één van de vele geveltjes te maken en ik voel me geroepen om de foto een beetje op te leuken door langzaam in het beeld te schuiven. “Nou, rot op!!! Sodemieter op!!!” Ach ja, ik zeg het zo vaak: ik ben op de wereld gezet om U te narren. En dat doe ik dan ook, met overgave. “Mot je nog naar Manneken Pis?”, vraag ik hartelijk. “Dat weet ik niet te vinden hoor!”, zegt zus. “Nee, maar ik wel!” Tsssss….. Onderweg wordt en nog even een “Vlaams fritteke” gekocht. Niet om op te eten, maar als souvenir voor het thuisfront. Huh? Ja, als ansichtkaart op ware grootte.
Het straatje dat naar het manneke leidt, is één groot paradijs voor de chocoladeliefhebber. Of één grote hel, het is maar hoe je het bekijkt. Nou zitten er al veel chocolaterieën in Brussel, maar hier is de concentratie chocolade per vierkante meter wel heel erg hoog. Amaai…
Van een fotosafari krijg je verdomd koude klauwen, dus gaan we ons even opwarmen aan een warme chocolademelk in een café en daarna vervolgen we onze strooptocht. Al met al wordt er weinig geshopt: ik tik wel een heel mooi colbertje op de kop voor maar negen eury en een heeeeele mooie strakke ketting. Te strak voor zus heur idee, maar dat is alleen maar goed. En het jasje is ook veel te groot voor ‘r. Da’s ook goed. En o ja, voor de twee respectievelijke thuisblijvers wordt er een doos bonbons meegenomen. Natuurlijk is dat ook uit eigenbelang. We vreten er net zo hard van mee, maar het gaat om het gebaar, nietwaar? De strooptocht op weg naar eten voert ons door een straatje met alleen maar kleine toeristenrestaurants met zo’n “naar binnen-luller” voor de deur. Toevallig worden we herkend door zo’n tiep, tegen wie we in het voorbijlopen eerder op de dag hadden geroepen: maybe later! Oeps! Ja, lul je er dan nog maar eens uit. Ach, het zag er wel aardig uit en er was nog een plaatsje bij het raam en er werd ons bovendien een glas champagne beloofd, dus wij waren om. Nouuuuu, die champagne (roze!) was erg lekker. Het eten was ook wel te doen en we namen er gezamenlijk een pichetje rosé bij. Dat kwam neer op ongeveer anderhalve glas per persoon. Nou ben ik niet zo’n ervaren drinker, dus geef mij een combinatie van twee drankjes en ik word een beejje…dajjjezeggehhh… niemmeerzovasopdebene… ik ben niet lazerus ofzo, alleen een beetje licht in m’n hoofd. Dat geeft niet, maar dan moet je niet in een vol restaurant met hele smalle ruimtes tussen de tafels naar het toilet willen, dat zich tot overmaat van ramp op de eerste verdieping bevindt… Okee…voorzichtig gaan staan, tafel langzaam loslaten en lopen. Net doen of het helemaal niets is. Lopen, lopen, lopen, jaaah, goed zo. Okee. Concentreer je op de trapleuning en pak deze vast zo snel als je kan. Mooi. Nu naar boven… Boven, uit het zicht van de rest van de klanten, voel ik dat het een stuk warmer is en even ga ik twijfelen of dat nou wel of niet door de drank komt. Nee dus. Het is gewoon warm daar. Nadat ik “getoiletteerd” heb, sta ik een tikkie te enthousiast op en val daardoor haast naar achteren. Ik zei HAAST! Hallo, zo lazerus ben ik nou ook weer niet. Maar ik moet wel heel erg om mezelf lachen. En dat gaat niet zo zachtjes. Natuurlijk staat er één of andere Engelstalige toeriste op me te wachten die dat gehoord moet hebben. How embarrasing.
Na het eten gaan we richting auto. Ik loods de koerier naar het dichtstbijzijnde metrostation. “Jaaaa, ik mag dan wel niet meer zo vast op mijn benen staan, maar ik weet nog wel de weg!”, lal ik. Nee, ik heb niet gelald. En dan, een beetje buitenlucht doet wonderen.
Tot mijn grote vreugde en tot zus haar grote verdriet heb ik de heenreis gereden en dus rijdt zus nu terug. Op zo’n moment ben ik toch wel blij met de combinatie champagne-rosé. Noem het taktiek.
Na wat heen en weer gekift over het al dan niet lekker optrekken van mijn auto (ik vind van wel, zus vindt van niet, want mevrouw is de wagen van de zaak gewend – kaffer! Ze kan gewoon niet rijden…), gaan we de richting uit van het net opgepimpte Atomium. Onderweg tanken we wel. Zus zegt dat ze op het eerste stuk naar Antwerpen geen benzinestation weet te vinden langs de snelweg en dat het, gezien de stand van mijn benzinemetertje, misschien een strakker plan is om gewoon in Brussel nog even te tanken. Is goe… Nou, probeer maar eens een benzinestation te vinden in wereldstad Brussel op de zaterdagavond dat open is. Die vind je niet. Je kunt overal tanken, maar dan moet je een Belgische pinpas hebben. Ineens zien we een Shell waar je ook met creditcards kunt afrekenen. Alleen jammer dat dat alleen in de shop kan. En die is… ja hoor! Dicht. We beginnen nu echt op hete kolen te zitten… Ineens is daar een Esso zonder shop. Dat geeft mij hoop. En yes: je kan daar gewoon aan de pomp zelf met creditcard afrekenen. Volgende probleem: ik pin echt nooit met mijn creditcard, dus ja… de pincode? Maar zelfs die komt bovendrijven, dus blijkbaar functioneer ik beter na de combinatie champagne-rosé. Na het tanken moet ik alleen nog even doen wat ik plechtig had beloofd: ik zou de grond kussen van het benzinestation. En dat doe ik dan ook. Ja, anders moet je dat niet zeggen. Er zijn geen bewijzen van, want zus kreeg mijn camera niet aan de praat toen ze daar in het geniep een foto van wilde maken, gnagnagna…
Het Atomium glimt (nieuwe RVS platen op de bollen) en blinkt (flitslichtjes in de bollen) en ziet er dus in het donker mooi uit. Bij het inparkeren blijkt dat er een politiewagen achter ons zat en die staat ineens stil naast ons. “Oh shit… hebben we iets verkeerd gedaan?” Ik kijk met mijn liefste glimlach opzij (wil weleens helpen) en daar zit oom agent breed grijnzend te gebaren; ja toe maar, nog een klein stukske achteruit, u heeft nog ruimte… Geintje van de flikken. Er staat ondertussen een behoorlijke file achter ‘m, maar er is niemand die geïrriteerd begint te toeteren, gek hè? Lachen wel…
Natuurlijk worden hier ook nog de nodige foto’s gemaakt. Het is ondertussen flink afgekoeld (ik had ook gewoon m’n jas even kunnen aantrekken), dus als zus een foto maakt van de grote lampenbollen aan de voet van het Atomium, ga ik er even over ééntje heen hangen. Amaai! Lekker warrum!!! Flits! Foto. Tuurlijk… Nou denkt iedereen dat ik echt lam was. Nou ja, laat ze maar in de waan ook… Zus rijdt terug, dus mijn dag kan niet meer kapot. Ik wel, ik ben helemaal verrot als ik anderhalf uur later thuis ben. Lekker, zo’n dagje shoppen. Mag volgende zaterdag weer gewoon werken. Is een stuk minder vermoeiend…

Broer is vijftig!!! (2006)

27 feb

Geplaatst op 10 januari 2006

2005. Het is alweer verleden tijd. Op de valreep, als heel Nederland ligt uit te buiken van het vreetfestijn dat Kerstmis heet, heeft deze dame nog iets te vieren. Verjaardag. Van broer. Broer is de oudste uit het nest; bouwjaar 1955. Kleine rekensom leert ons dat broer dit jaar vijftig wordt. Werd, want inmiddels 2006. Ja, en dat laat je niet zomaar voorbij gaan, hè? Al denkt broer van wel. Tien dagen voor zijn verjaardag, op verjaardag van zus om precies te zijn (de middelste uit het nest), nodigt meneer zijn aanwezige familie uit om op zijn verjaardag langs te komen. In verband met een neefje van schoonfamilie-kant, jarig op dezelfde dag, viert hij zijn verjaardag de laatste jaren daarom altijd maar een dag later. Maar nu niet. Nu wordt ie vijftig, en dat wordt voor deze keer op de dag zelf gevierd. Dus wij allemaal braaf ja knikken. “Ja joh, is goed, dan zien we je woensdag! Wij komen gewoon ‘s avonds hoor!” Er moet tenslotte overdag ook nog gewoon gewerkt worden, nietwaar? Hij moest eens weten…
(Voordat ik verder ga, is het misschien leuk dat ik even meld dat ik een overijverige schoonzus heb.) Ik heb een overijverige schoonzus. Die wel leuke ideeën heeft voor iemand die vijftig wordt. Ik ben niet zo creatief dat ik met allemaal leuke plannen kom. En aangezien mijn broer niet het Abraham in de tuin/ spandoek met oproep tot 50x toeteren/ potjes mosterd/ advertenties in plaatselijke, of erger: landelijke kranten/ aanplakbiljetten met foto aan bomen in de wijde omgeving-type is, rest er voor mij eigenlijk niets anders dan… niets te verzinnen. Niet dat ik bovenstaande dingen ooit uit zou voeren. Los van het feit dat ik daar ook niets mee heb en hopelijk zelf ook ooit nog eens vijftig moet worden, ben ik bang dat broer na zo’n soort actie van mijn kant meteen laat uitzoeken of het ook mogelijk is om je wettelijk van je jongste zus te laten scheiden. Of zoiets. Nee, ik doe mooi helemaal niets. Ik zie het allemaal wel.
Ondertussen, hier zo’n vijftig kilometer vandaan, wordt er een plan gesmeed in het brein van mijn overijverige, doch creatieve schoonzus. Toch handig, zo’n figuur in de familie… Eind oktober wordt het plan in het diepste geheim openbaar gemaakt. (Kan dat? In het diepste geheim iets openbaar maken? Da’s bijna net zo erg als je afvragen waar het heelal eindigt. En wat daar achter zit. En hoe dat er dan uit ziet. En… WAAAAAAHH!!! Niet over nadenken, dan word je gek!!!) In elk geval is dit in grote lijnen het plan: overijverige, doch creatieve schoonzus neemt jarige J(ac)ob mee naar Groningen voor een overnachting in het kleinste hotel van de wereld in Eenrum (Waar? EEN-RUM!). De volgende dag (de grote dag), gaat het stel naar de stad Groningen voor een dagje stadslenteren en ‘s avonds zullen zij gaan eten in een lekker restaurant. In eerste instantie met z’n tweetjes en dan, als verrassing, komt er een aantal vrienden en wat familie binnenschuiven. Leuk plan. Voor die vrienden moet het geen probleem zijn, zij wonen in en om Groningen. Maar voor de familie…
Zus (de middelste) kan absoluut geen vrij krijgen tussen kerst en oud en nieuw. En wat mij betreft… Ik zit bij een heel leuk bedrijf, maar als je het lef hebt om gedurende de laatste vijf weken van het jaar vrij te vragen… daar staat zo’n beetje de doodstraf op. (Het vonnis wordt waarschijnlijk pas in januari voltrokken, want eerder kunnen ze je niet missen.) Maar ja, hij wordt maar één keer vijftig… Ik haal alles uit de kast om twee dagen vrij te peuteren bij m’n baas. Het is tenslotte na de kerst en ik heb zoiets ook nog nooit gevraagd in bijna dertien jaar. Ik ga dan ook helemaal uit m’n systeemplafond als ze uiteindelijk zegt dat ik er, onder strikte geheimhouding twee dagen tussenuit mag. YES!!! Meteen een hotel boeken, want terugrijden: ho maar! Ik ga de volgende dag nog mooi even Groningen in, want Groningen is zóóó leuk!
Dan is het zover. ‘s Ochtends wordt de jarige vanuit Vlaardingen telefonisch gefeliciteerd door z’n moeder, en een half uurtje later bel ik ‘m met m’n mobiel, zogenaamd van de zaak. “Hé, ahd lèk!” (Wij zijn altijd heel vriendelijk tegen elkaar, ook in het Haags) “Nou, op naar de honderd!!! Nee joh, het is druk! Ja, voor oud en nieuw! Man, stápels friteuses gaan er de deur uit. Uhuh… voor de oliebollen hè? En emmers, ijsbollepels, servetten, noem maar op!” (NOT!!!) “Maarre…wat zijn de plannen verder, vandaag? Je bent nu in Groningen? Hotel? Leuk. De precieze plannen weet je niet? Goh…” Ik wel! Maar dat weet hij weer niet. “Nou joh, fijne dag nog verder! Enne… wat? O, je viert het op zondag? Nieuwjaarsdag? Meteen nieuwjaarsborrel? Okee. Nou, zie ik je dan! Isj goe! Hoi!” Mooi. Ophangen en de auto in. Op naar Grunn. Onderweg is er hevig SMS-verkeer tussen overijverige, doch creatieve schoonzus die zich die dag ineens verdacht veel in pashokjes en toiletruimtes ophoudt, teneinde enigszins ongestoord te SMS-en, en mij. In het hotel wordt het allemaal heel spannend. Als we aankomen krijg ik een SMS dat “ze” bijna bij het hotel zijn. Of we al binnen zijn. Snel een SMS terug: Nee, kom net aanrijden!!! Strakke actie van overijverige, doch creatieve schoonzus volgt: broer wordt meteen een café ingesleurd. Dorst of niet: zuipen zal ie! Dat geeft mij een kwartiertje uitstel om in te checken, ma en de eerste bagage in de kamer te installeren en de auto de veel te krappe ondergrondse parkeergarage in te rijden. En natuurlijk word ik naar de parkeerplek naast de door overijverige, doch creatieve schoonzus gehuurde droomauto van broer gedirigeerd. Nog heel snel even langs de receptie en dan als een speer naar boven. Ik slaak een zucht van verlichting als de deur achter me dichtvalt. Meteen de tv aanzetten, een tikkie aan de harde kant. Dit heeft een doel: wij zitten namelijk in de kamer naast broer. En die mag dat niet horen. Rond halfzeven hoor ik de deur van de kamer naast ons met een knal dichtslaan. Dat is afgesproken: zo weet ik dat de kust veilig is. Een kwartier later gaan wij weg; op naar het restaurant van het Groninger Museum. Buiten wachten we op de vrienden en om een uur of zeven volgt de overval. Natuurlijk reageert broer lekker lauw: “Ja, zie je wel? Zat erin hè? Zat erin…” Lekker ventje… De tafel voor twee wordt verruild voor de gedekte tafel voor acht personen en er volgt een leuke avond met een leuk clubje mensen en heel erg lekker Italiaans eten. Overijverige, doch creatieve schoonzus heeft zichzelf overtroffen. Op naar de honderd dan maar!
Gefeliciteerd, bruv!

Het kerstverhaal…maar dan anders, (2005)

27 feb

25 december

Ik heb zelf niet zoveel met kerst (dat leg ik nog wel eens uit), maar ik als anglofiel kon het niet laten om dit kerstverhaal te plaatsen. Het is niet van mij, maar het komt van een Britse nieuwsgroep en de anglofielen onder ons herkennen een kerstverhaal verteld in het Cockney, het accent uit het East End van Londen. Echt heel grappig. Enjoy!
There’s this bird called Mary, yeah? She’s a virgin (wossat then?) She’s not married or nuffink, but she’s got this boyfriend, Joe, innit? He does joinery an’ that. Mary lives with him in a crib dahn Nazaref. One day Mary meets this bloke Gabriel. She’s like ‘Oo ya lookin at?’ Gabriel just goes ‘You got one up the duff, you have.’
Mary’s totally gobsmacked.
She gives it to him large ‘Stop dissin’ me yeah? I ain’t no Kappa-slapper. I never bin wiv no one!’
So Mary goes and sees her cousin Liz, who’s six months gone herself. Liz is largin’ it. She’s filled with spirits, Barcardi Breezers an’ that.
She’s like ‘Orright, Mary, I can feel me bay-bee in me tummy and I reckon I’m well blessed. Think of all the extra benefits an’ that we are gonna get.’ Mary goes ‘Yeah, s’pose you’re right’
Mary an’ Joe ain’t got no money so they have to ponse a donkey, an’ go dahn Bethlehem on that.
They get to this pub an’ Mary wants to stop, yeah? To have her bay-bee an’ that. But there ain’t no room at the inn, innit? So Mary an’ Joe break an’ enter into this garridge, only it’s filled wiv animals. Cahs an’ sheep an’ that.
Then these three geezers turn up, looking proper bling, wiv crowns on their heads. They’re like ‘Respect, bay-bee Jesus’, an’ say they’re wise men from the East End.
Joe goes: ‘If you’re so wise, wotchoo doin’ wiv this Frankenstein an’ myrrh? Why dincha just bring gold, Adidas and Burberry?’ It’s all about to kick off when Gabriel turns up again an’ sez he’s got another message from this Lord geezer.
He’s like ‘The police is comin an’ they’re killin all the bay-bees. You better nash off to Egypt.’ Joe goes ‘You must be monged if you think I’m goin’ dahn Egypt on a minging donkey’
Gabriel sez ‘Suit yerself, pal. But it’s your look out if you stay.’ So they go dahn Egypt till they’ve stopped killin the first-born an’ it’s safe an’ that.
Then Joe and Mary and Jesus go back to Nazaref, an’ Jesus turns water into Stella.
APPY CRIMBO

Ik heb een stalker! En wat voor één… (2005)

27 feb

24 december

Wat een problemen…
Had ik nog niet verteld, hè? Dat ik een stalker heb… Nee, ik zag ‘m pas geleden voorbij schuiven op TV en toen dacht ik er weer aan. Mijn stalker. Niet zomaar een stalker. Nee, ik heb niet de eerste de beste achter me aanlopen natuurlijk…
Okee. Voor de draad ermee! Mijn stalker is niemand minder dan Richard Gere. (WAT???) Nee, laat de mannen in de witte pakken nog maar niet uitrukken; met mij is niets mis… Met hem ook niet, want hij heeft geen idee dat ie iemand stalkt. Laat staan dat ie weet dat ie mij stalkt. Ik ben in februari in Londen met beste vriendin naar een optreden van ons favoriete bandje geweest. Op 14 februari zijn we ‘s ochtends lekker een beetje op ons “gemak” onze spullen aan het inpakken (“Hoe laat moesten we hier nou uit?” “He?” “Uitchecken, hoe laat?” “Eh… over vijf minuten!” Shit! “Het past niet meer, in m’n koffer!” “Wat?” “Ja, past niet meer. Op de heenweg nog wel…” Shit. “Hoe lang nog?” “Nog twee minuten” “Mooi, kan ik gauw nog effe toiletteren voordat we gaan”) Enzo. En dat alles met een Engels ontbijtprogramma op TV op de achtergrond. “Goh, die wordt er ook niet lelijker op naarmate ie ouder wordt…”, hoor ik vanuit de hotelkamer terwijl ik voor de zekerheid de badkamer voor de laatste keer inspecteer op dingen die we allang in de koffer hebben zitten. Nieuwsgierig krul ik mijn hoofd om de deurpost heen en loer naar de TV. “Wie?” “Nou, hoe heet ie?” “Oh eh…ja, ik heb ze lelijker gezien op die leeftijd…dinges… Richard Gere!” “Ja die!” “Jaja…nee, het kan erger!” Stilte. “Is dat live?” “Wat? Oh dat! Ik denk het wel. Ja, da’s live.” “Joh, dat is de Thames toch, op de achtergrond?” “Uhuh…” “Nou, op naar die studio!!! Haha… nee, geintje!” En dus gingen we nog even lekker shoppen in Londen en daarna van een heerlijke vertraging genieten op Heathrow Airport.
Een paar dagen later. Thuis. Ik sla de krant open en wat zien ik? Richard Gere neemt de geuzenpenning in ontvangst. Hij zal daarvoor op 12 maart naar Vlaardingen komen om in de Grote kerk op de Markt de ceremonie bij te wonen en daarna de penning in ontvangst te nemen. Ik lees het nog eens. Dat helpt niet. Hallo? Ik zit nu echt het wereldrecord uilig kijken te verbreken, zonder dat ik het weet. Dat Richard Gere, toch een wereldster, naar een wereldstad als Londen gaat, daar kan ik nog inkomen. Maar naar Vlaardingen? Een maand na Londen? Op hemelsbreed vijfhonderd meter van mijn huis? Tssssss…ik verbeeld me niks, maar als dat geen stalken is…

Bob de Bouwer strikes again… (2005)

27 feb

06 december

Zaterdagavond 3 december: het regent. Ik verlaat mijn slaapkamer en loop over de zolder richting de trap als ik een raar tikkend geluid hoor. Ik stop, draai me om en ga op onderzoek uit. Vreemd. Ik loop richting de douche en als ik daar sta, voel ik het. Het regent niet alleen buiten, maar ook binnen. Oh shit. Shitshitshit. Lekkage. Nou is dat niets nieuws eigenlijk, ware het niet dat het wel eens gebeurt als het echt al dagen keihard stortregent, maar dit is een mals buitje. Bovendien is de “normale” lekkage er één van gewoon drup…drup…, dit is gewoon een indoor regenbui. Ach, het is weer eens wat anders, nietwaar? Ik haal eerst moeders van beneden erbij, voor een second opinion (alsof zij zal zeggen: nee joh, ik voel niets, dus hebben we geen lekkage). Het was haar al opgevallen dat het de laatste paar dagen al zo waaide op zolder. Tja… Goed, handelen. Ik breng een doos met foto’s in veiligheid en pak een groot zeil en leg dat dreigend naar het dak kijkend neer. Dat helpt niets, natuurlijk. Alhoewel, niet veel later stopt het dan toch met regenen. Goh…ik wist niet dat ik het in me had.
Zondag 4 december. De Sint komt vandaag langs bij beste vriendin, man en kids. En wij zijn erbij. Net voordat we vertrekken, loop ik nog even over de zolder. Ik inspecteer nauwkeurig het dak en zie eigenlijk niets raars. Vreemd. Nou ja… Verrek, wat is dat dakraampje trouwens mooi schoongeregend, zeg! Ho, wacht effe… Dat is wel erg schoon. En waarom is die rechterhoek beneden dan nog wel gewoon matglas? Oh…my…God! Het dakraampje is niet meer!!! Nou ja, op het rechterhoekje onder na dan… Opluchting: geen lekkage. Minder: ik moet weg, de Sint wacht. En het begint net te regenen. Herstel: te spoelen. Zucht…
Na het bezoek van Sint en Piet en een heleboel kadootjes verder, komt het gesprek op ons nieuwe, unieke ventilatiesysteem op zolder. “Ja, gemeente bellen, he?” “Zekers, maar totdat zij komen, moet het gat even gedicht worden.” Vriendin stelt meteen heur husband ter beschikking om even met ons mee te gaan en dat voor ons te doen. (Toch wel handig, zo’n vent…) “Nee joh”, zeg ik. Meteen volgt de vraag met erachteraan een suggestie. Beiden van moeders. “Wat ga je doen dan? Teil eronder?” Ik leg uit dat ik dat geen strak plan vind. Ten eerste heeft het weinig zin, want als er wind staat vliegt het net zo hard over de teil heen en ten tweede: de teil moet dan onder voorheen ons dakraam, maar wel boven op onze douchecel. Komt daar dan toch water in, dan wordt het zwaar en ik weet niet hoeveel het dakje van de douchecel kan hebben qua gewicht. Ik wilde de gok maar niet nemen. Dus ontvouw ik mijn plan. “Nee joh, ik klim wel effe op de douche en dan zet ik er gewoon een stuk hout tegenaan en dat stut ik dan voorlopig even met een bezemsteel of een paar latjes.” Ik geloof m’n eigen oren niet. Was IK dat? Alsof ik m’n vader hoor praten…
Thuisgekomen hijs ik me in een oude spijkerbroek van pa, een oude bloes en duik ik het werkhok in, op zoek naar stutlatten en een stuk hout. Dat is er niet. Ja, hout genoeg, maar te smal. Met stutlatjes onder m’n arm klim ik de ladder op. O. Dakje van douchecel is inmiddels nat. En dat verhaal van die teil en dat gewicht gaat natuurlijk ook op voor mijn gewicht. Dan kun je er nog beter een hele volle teil water op zetten… Terwijl ik zo op die ladder de boel in ogenschouw sta te nemen denk ik: Jaja, ik klim wel “effe” op de douche… Stomme trut, met je grote bek ook altijd! Doe nou eens één keer normaal… No way dat ik daar op ga staan natuurlijk. Daggutnie!!! Ma heeft inmiddels een groot stuk plexiglas tevoorschijn getoverd. “Is dit dan iets?” Eh… tja, dan moet ik er wel op, vrees ik. Maar ja, grote kans als ik plexiglas ga stutten, dat ik het dan kapot duw. Ik sta nergens meer voor in. Dan komt ma met een briljant idee: “Joh, op het balkon staat er toch nog zo’n klein plastic tafeltje?” Eh…ja… Ik denk, storm de trap af, ren het balkon op en race met een bloedgang en met het tafeltje de zolder weer op. Geweldig! Boven blijkt dat het tafelblad precies het gat afdicht. En nog mooier: als ik de poten uitgeklapt laat, kan ik de klus helemaal vanaf de ladder klaren. En dus mooi niet het dakje op. Hup, stutten die boel en klaar is Bob. Het idee is van ma, de constructie van mij. Wat een team. Mooi. Dus… weer een klus erbij in het rijtje: Bob doet het kleine onderhoud aan de auto’s, vervangt lampen, sloopt alvast het oude TL-armatuur van het plafond in de keuken, installeert brand, rook en CO2-melders, draait haar hand niet meer om voor een wasmachine waar het water in blijft staan, repareert toiletten, vervangt de bril ook meteen maar even, schuurt en verft trappen en stoffeert ze gelijk, en dicht nu ook gaten. Ik ga er geld voor vragen…